|
Het begon
met gebarentaal bij de thee en na een paar weken nam ze een cade autje voor me
mee: een pakje met van die rode stippen die je op je voorhoofd kunt plakken. Ik
leer haar Engels, zij leert mij Hindi en een paar weken geled en vroeg ze of ik
mee wilde naar haar huis. Nu hangt er aan elke normale wijk in India ook een
sloppenwijk waar het personeel van de rijken woont en onze sloppenwijk begint
achter de tempel.
We moesten ongeveer tien minuten lopen, over open riolen, langs wiebelige hutjes
en tus sen honderden kinderen op blote voeten door. Sunita had mazzel zei ze
toen we bij haar huisje aankwamen en ze wees naar de pomp die een paar meter
verderop stond. Het ding doet het slechts een paar uur per dag, maar ze hoeft
tenminste niet zo ver te lopen met haar emmers. Ze was ook trots op het huisje
zelf. De muren waren van baksteen en er stonden een paar lege conservenblikjes
met planten en bloemen naast de deur. Binn en hadden ze één bed en daar lag haar
echtgenoot op. Een lamzak die niet werkt en veel drinkt.
Sunita zorgt dat hij, hun vijf kinderen en zijn vader, die allemaal in dat ene
hokje wonen, elke dag iets te eten hebben. Ze had zich de afgelopen weken zorgen
gemaakt, zegt Suni ta terwijl ze een kop thee aanpakt. Elke dag was ze naar ons
huis gekomen en elke dag weer werd er niet opengedaan. Wat hadden we in
vredesnaam uitgespookt? Met de krant en van 12 september in de hand probeer ik
in mijn krakkemikkige Hindi uit te leggen wat er is gebeurd.
Het nieuws was bij haar nog niet bekend maar de boodschap kwam wel over, geloof
ik. En terwijl we thee drinken vertelt Sunita wat er allemaal met haar is
gebeurd. Een paar dagen geleden liep ze naar huis en zag achter de tempel niets
dan een grote, lege vlak te. Er stonden mensen te schreeuwen (en te huilen) maar
de politie hield de meute op af stand. Heel even keek ze verdoofd naar de leegte
achter prikkeldraad - een vlakte waar die morgen, toen ze van huis ging, nog een
hele wijk stond - daarna ging ze in paniek op zoek naar haar kinderen.
// foto: Wadala
Slums
'Er wordt een parkeerterrein aangelegd', zegt Sunita schor. 'Dus onze huizen
moesten weg.' Ze heeft niets meer. Geen bakstenen muren, geen conservenblikjes
met bloemen. Geen kleding, geen emmers. Geen bed en geen dekens. Toen de
bulldozers kwamen was haar echtgenoot te dronken om een paar spullen bij elkaar
te graaien en het enige dat Sunita nu nog heeft, zijn de kleren die ze die dag
aan had.
In India zijn miljoenen mensen als Sunita en als je er woont leer je je er echt voor
af te sluiten. Je lacht naar een kind en je geeft een muntstuk aan een oude man
zonder ben en, maar daarna ga je verder want als je er te veel bij gaat nadenken
word je stapelgek.
Geen van mijn Indiase vrienden aan wie ik het verhaal vertelde begreep waar ik
me druk over maakte. 'Zo ga je toch niet met mensen om?', vroeg ik hen. 'Stel je
toch eens voor: je komt thuis en je hele straat is verdwenen. Al je spullen. Je
herinneringen. Je veil igheid.' Maar dat werkt volgens hen bij 'dit soort mensen'
heel anders. Ze kunnen nu een maal niet met bezit omgaan, was hun koele reactie.
Ook onze huisbaas wilde niet helpen. Wij moesten weer naar Pakistan, maar Sunita
mag niet in ons lege huis slapen want 'dat soort mensen zijn geen echte mensen.
En als ik merk dat zij er toch verblijven, verscheur ik jullie contract.' |