|
Het staat Els Reijnders nog glashelder voor ogen. Hoe ze in 1992
de galerie van de gewezen minister van Ontwikkelingssamenwerking
en oud-ambassadr ice Eegje Schoo overnam, de Foundation for
Indian Artists in Amsterdam. En hoe weinig aandacht daar
destijds voor bestond. ‘Het was een soort niemands land. Ik kon
geen museumdirecteur overtuigen van de kwaliteit.’
Vergelijkbaar zijn de ervaringen van Willem Baars. De
galeriehouder, tentoonstellings maker en criticus van het
Financieele Dagblad kwam begin jaren negentig met Indiase
kunstenaars in aanraking. Ook hij merkte hoe weinig respons daar
voor was. Sterker: ‘ik werd in Nederland uitgelachen’. Nee,
twintig jaar geleden moest je niet aankomen met eigentijdse
kunst uit India. Niet in Nederland, maar ook niet in de musea
voor mod erne kunst van andere landen in Europa of Amerika.
Anno 2009 is dat wel anders. Hedendaagse Indiase kunst is
booming. Je ziet het aan het aantal overzichtstentoonstellingen
van de afgelopen jaren, zoals Indian Summer (Parijs, 2004), Horn
Please! (Bern, 2007) en Indian Highway (Londen, 2008). Je merkt
het aan de recente veilingresultaten. Afgelopen herfst werd op
het schilderij Idol Thief I van Subodh Gupta ruim een miljoen
dollar geboden.
Overigens is India als emerging culture lang niet het enige land
dat zich in de warme bel angstelling van het mondiale
kunstcircuit mag wentelen. Wat een kleine tien jaar geleden
begon met China, is inmiddels een trend geworden: een hausse van
moderne kunst uit landen die een paar decennia geleden
nauwelijks van belang waren, zoals Zuid-Korea, Cuba, Thailand
en Brazilië.
‘De hype is vergelijkbaar met het snelle succes van Brit Art
onder Margaret Thatcher en Tony Blair’, legt Willem Baars (39)
uit. ‘Plots voelt een land nieuwe energie en nieuwe
mo gelijkheden.’ Niet zo vreemd dat hij nu drie van zijn
kunstenaars – Jitish Kallat, Riyas Ko mu en Sudarshan Shetty – op
zijn tentoonstelling India Contemporary in het GEM in Den Haag
naar voren heeft geschoven. De tijd is er rijp voor.

//foto:
Bharti Kher’s surreal sculptures
Uiteenlopende kunstenaars als Rabindranath Tagore, Jagdish
Swaminathan en Bhupen Khakhar zorgden ervoor dat de Indiase
kunst in een meltingpot veranderde. Allemaal maakten ze furore
door zich te richtten op Japan, Engeland en Frankrijk, op
volkskunst, stadskunst of abstracte kunst. Allemaal zijn ze
alleen in India bekend.
Want dat is het drama van de internationale reputatie van de
moderne kunst uit India: die was er tot het begin van deze eeuw
niet. Dankzij de overheersing van de Britten die de Indiase
kunst altijd in de hoek van de etnische kunst hebben gestopt.
Maar ook, na de onafhankelijkheid in 1947, dankzij het
socialisme van de eerste premiers Jawaharlal Nehru en Indira
Gandhi die zich – begrijpelijk – voornamelijk bezighielden met
de emanci patie van het platteland, de gelijkheid onder de
bevolking en vrij onderwijs voor ieder een. Een vorm van
‘protectionisme’ die haaks stond de ontwikkeling van een
kapitaal kra chtige middenklasse – wat doorgaans zijn ongunstige
gevolgen heeft voor een (gezond) kunstklimaat. Tot ver in de
jaren negentig kende India nauwelijks kunstacademies, galer ies
en verzamelaars.
Pas nadat in 1991 de hervormingsgezinde regering van Narasimha
Rao aantrad, die een meer liberale, vrije markteconomie in India
introduceerde, barstte het land open. Ook op kunstgebied. Baars:
‘en dan gaat het met een miljard inwoners direct heel snel.’
Of de doorbraak van Indiase moderne kunst nu geleidelijk of
abrupt is verlopen, en of dat alleen dankzij de Indiase economie
is gebeurd of door de ontvankelijkheid van het buitenland,
Faber, Reijnders en Baars zijn het onderling wel eens dat het
succes in we zen een onzekere basis heeft. Niet alles is even
rooskleurig. Er is in India nog steeds een gebrek aan de
beproefde ingrediënten voor een gezonde kunstwereld. Er bestaat
geen kunstkritiek (Reijnders: ‘men bekritiseert elkaar niet
graag. Dat is niet beleefd’). Er zijn geen experimentele
instituten als De Appel, Witte de With en BAK. Het land kent
rela tief weinig goede galeries.
Daarbij bestaat er geen overheidssteun voor kunst. Baars: ‘er
wordt geen roepie voor uit getrokken. Je kan bezwaar hebben tegen
subsidiëring, maar het is wel een indicatie voor betrokkenheid
van de overheid, en het geeft een solide basis, waardoor de
kunst niet enkel is overgeleverd aan de grillen van het
particuliere initiatief.’
Grillig en onzeker is het particuliere initiatief zeker. Door de
economische voorspoed is het aantal verzamelaars in India sterk
toegenomen, zegt Reijnders. ‘Rijke industriëlen zijn
geïnteresseerd geraakt in moderne kunst. Ze hadden een mooi
huis, drie auto’s en een chauffeur, en dan begin je uiteindelijk
ook kunst te verzamelen. Vooral ook omdat het statusverhogend
werkt. Mensen verzamelen kunst omdat anderen dat ook doen.’
Ook in het buitenland veroorzaakte het succes van de Indiase
kunst een grote verzamel woede, en leidde dus tot een forse
prijsverhoging van het werk. Baars: ‘er zijn zoveel nieuwe
spelers op de markt gekomen. Het heeft een enorme
aantrekkingskracht. Er wor den veel te hoge bedragen neergelegd
voor middelmatige kunst. Maar voor velen is het goede kunst,
omdat het dure kunst is. Dat zie je in China, maar ook in
India.’ Bovendien leidt financiële voorspoed tot een grotere
aanwas van Indiase kunstenaars. Volgens Baars geldt daarbij de
wet van de succesvolle navolging. ‘Succes leidt tot epigonisme.
Er lopen tegenwoordig hele roedels klonen van die paar echt
grote kunstenaars rond. ’
Volgens Baars kan dat systeem zo weer in elkaar storten. ‘99
procent van wat gemaakt wordt, is ronduit slecht. Uiteindelijk
blijven er vijf of zes kunstenaars over die van wer eldformaat
blijken te zijn.’
Dat de hype omtrent Indiase moderne kunst van voorbij gaande
aard is, daarover is iede reen het wel eens. Maar dat geldt ook
voor de Westerse moderne kunst, voegt Faber er graag aan toe.
‘Die nieuwe, polycentrische benadering komt voort uit het
zelfbewust zijn van landen en regio’s als India, het
Midden-Oosten en China. De dominantie van het Wes ten is aan het
afbrokkelen. Dakar, Shanghai en Busan zijn de nieuwe mondiale
kunst podia, naast de Documenta in Kassel en de Biënnale van
Venetië. Er is een mobiele, fluï de kunstwereld ontstaan.’
Indiase kunst is lang niet zo exotisch meer. Faber: ‘natuurlijk
is de culturele bagage van een Indiër anders dan van mijn
Amsterdamse buurman. Maar we spreken tegenwoordig een soort
Esperanto. Net zoals de (Amerikaanse) jazz in de Europese muziek
is geïncor poreerd, is de Indiase kunst geen slap derivaat meer
van de Westerse kunst. De wereld kaart zal in niet zo’n lange
tijd herzien worden. En denk maar niet dat de nieuwe Bosatlas
nog lijkt op hoe de wereld er vijftig jaar geleden uitzag.’
En al blijkt de aandacht voor Indiase kunst een hype te zijn,
wil Reijnders wel kwijt, dan nog is het de moeite waard geweest.
‘Dat de Indiase kunstenaars van het momentum ge bruik hebben
kunnen maken. Het is überhaupt de vraag welke land er na de
economis che crisis het beste uitkomt. Misschien verschuift het
centrum van de kunstwereld wel naar het Midden-Oosten. Kunst
gaat nu eenmaal mee naar waar het geld zit, de verzamel aars, de
galeries, de beurzen. Nu is dat de Dubai Art Fair, waar nu
abstracte kunst uit In dia te koop is.’ |